Orion blog‎ > ‎

Passend onderwijs dl.2 Weer samen naar school - Cees Blij

Geplaatst 19 jul. 2016 06:25 door Jelka Bröcheler

Leerlingen met LVB in de reguliere school (afl. II), een optie of een utopie

Weer samen naar school

Nederland is tot ver in de jaren ’80 van de vorige eeuw een land geweest dat verdeeld was in zuilen, de omroepen zijn daar een mooi voorbeeld van. Ook het onderwijs was en is zelfs nog steeds verzuild, met naast het openbaar onderwijs het bijzonder onderwijs, gestoeld op geloofsgronden, en ook nog een reeks particuliere scholen. Daarnaast ontstond er langzamerhand voor elk fysiek- of leerprobleem een apart schooltype. In totaal zo’n 14 soorten met elk hun eigen toelatingscriteria en curriculum. In Europa behoort Nederland met een verwijzingspercentage van 2.7% naar speciaal onderwijs tot de koplopers. Onmiskenbaar is daarbij dat het ruime aanbod ook een deel van de vraag creëerde.  

Een eerste stap naar integratie werd gezet met de nota “Weer samen naar school”. Hiermee werd in 1990 een nieuwe koers uitgezet voor funderend onderwijs. Er kwam een eind aan het tweesporenbeleid dat na de tweede wereldoorlog was gevoerd, met een verbreding en uitdieping van de zorg voor de leerlingen in het regulier onderwijs, met inventarisering van hulpverlening en legalisering van differentiatie als kenmerk en daarnaast verbetering van de kwaliteit van het speciaal onderwijs door stimulering in de richting van hoogwaardige instituten en intensieve specialistische hulpverlening. (Doornbos, 1992). Kinderen horen zoveel mogelijk in reguliere scholen onderwijs te ontvangen werd het nieuwe adagium. Gewone scholen moeten daartoe meer in staat worden gesteld. Dit resulteerde als eerste in het samengaan van scholen voor leer- en opvoedingsmoeilijkheden (LOM) en die voor moeilijk lerende kinderen (MLK) tot scholen voor speciaal basisonderwijs (SBO). Vele SBO-scholen zijn voortgekomen uit fusies van een LOM- en MLK-school.

In eerste instantie betekende dit voor zowel de LOM als MLK-scholen een hele cultuuromslag, omdat bij moeilijk lerende leerlingen vaak werd uitgegaan van onvermogen, terwijl bij leerlingen met leermoeilijkheden eerder werd gedacht aan een achterstand of partieel defect dat geremedieerd kon worden. Bijna vijfentwintig jaar verder kunnen we stellen dat deze operatie wel geslaagd is. Intern echter wordt nog vaak onderscheid gemaakt tussen beide leerlingenpopulaties. Een deel van de LOM-leerlingen maakt tegenwoordig zijn schoolcarrière af binnen het basisonderwijs.

In 1994 is in Salamanca een door de UNESCO georganiseerde conferentie gehouden over het  onderwijs aan leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften. In een afsluitend statement doet de vergadering een beroep om inclusief onderwijs te stimuleren. Het resultaat moet een daling van het aandeel leerlingen in separate voorzieningen voor speciaal onderwijs opleveren.

In 2003 zijn in Nederland regionale expertisecentra (REC’s) gevormd om oneigenlijke doorverwijzingen naar het speciaal onderwijs te voorkomen. Daarnaast werd het speciaal onderwijs ondergebracht in vier clusters:

Cluster 1: voor kinderen met visuele handicaps (blind of slechtziend);

Cluster 2: voor kinderen met communicatieve handicaps (gehoor-, taal- en/of spraakproblemen);

Cluster 3: voor kinderen met een verstandelijke en/of lichamelijke handicap of chronische ziekte;

Cluster 4: voor kinderen met psychiatrische of gedragsstoornissen.

In “De staat van het onderwijs, het inspectieverslag uit 2011-2012”, valt te lezen dat tot 30% van de doorverwijzingen naar het (V)SO cluster 3 (zml) niet aan het criterium van de beperking van de onderwijsparticipatie voldoet. Dit betekent dat het regulier onderwijs er via de Commissies voor Indicatie (CvI) in was geslaagd om leerlingen alsnog door te verwijzen naar het speciaal onderwijs. Zo ervoeren de scholen voor speciaal onderwijs het ook. Door de druk van de LOM-leerlingen stroomden de zwakkere MLK-leerlingen af naar cluster 3 (zml) scholen en mogelijk de gedragsmatig moeilijkere LOM-leerlingen naar cluster 4 (zmok) scholen. Dit is mogelijk een van de redenen dat het speciaal onderwijs maar bleef groeien.  

Per 1 augustus 2014 is de wet op het Passend Onderwijs in werking getreden en is de doorverwijzing van leerlingen naar het speciaal onderwijs komen te liggen bij het Samenwerkingsverband waar de leerling woont. Landelijk zijn dit 77 SWV’s voor voortgezet onderwijs en 75 voor primair onderwijs. Door deze wetswijziging heeft het speciaal onderwijs organisatorisch niet langer de status aparte die het zolang gehad heeft. Het SO en VSO vormt nu een deel van het gehele onderwijslandschap en is daar ook wat betreft financiering van afhankelijk.  

Cees Blij

 

Comments